Port Douglas

November 11th, 2012

Zondag. Eerst naar de markt hier een paar straten verderop. Heel veel vers fruit – en da’s mooi. Tropisch fruit smaakt beter als het rijp geplukt wordt.
Ik kom ook de maker tegen van een documentaire over de zonsverduistering van 2002 – die was zichtbaar in het westelijke puntje van Australië
Kort daarop hoop ik de rest van de dag door te brengen in Port Douglas, zo’n 60 kilometer verderop, maar dat heeft heel veel voeten in de aarde.
De busdienst doe rechtstreeks van Cairns naar Port Douglas gaat, gaat pas laat in de middag, en keert drie uur daarna alweer terug. Ze raden me aan met de vliegveld-shuttle te gaan. Duurder, maar sneller.
Dat laatste blijkt helaas niet het geval. De vliegveldbusjes zijn allesbehalve vlot. De eerstvolgende vanuit Cairns gaat volgens schema pas om tien uur ‘s ochtends. Tel daar het Australisch kwartiertje bijop, en je mag in je handjes klappen als je elf uur op het vliegveld staat.
Edoch, ik besluit te bellen met Sun Palm om toch maar te reserveren voor het busje dat voor tien uur gepland staat.
Een bizar sjachrijnige telefoniste staat me lomp en bot te woord. Ze is kennelijk gewend klachten te krijgen over de absurd hoge prijs die deze maatschappij rekent voor hun dienst, want als ik vriendelijk probeer te vragen of ik een reserveringsnummer op mag schrijven, wordt m’n vraag halverwege de zin afgekapt en wordt me toegebleerd dat ik geen korting krijg. Eh…
Na lang, lang wachten verschijnt het busje op het busstation, en kan ik mee naar het vliegveld. Daar zal ik over moeten stappen op ‘n ander busje.
Hoe ik daar gekomen ben mag Joost weten, want ondanks mijn telefonische boeking en bevestigde reservering sta ik niet op de passagierslijst. Ik mag mee, maar word aan de balie van het busjesbedrijf gedropt, om alles nog eens na te lopen.
Ik kan met het eerstvolgende busje naar Port Douglas mee, en wederom wordt me verzekerd dat ik ‘s avonds om acht uur weer word opgepikt, op de stoep van ‘t café in het centrum van Port Douglas. Klinkt mooi.
Tegen twaalven zit ik eindelijk in een tweede busje en kan de tocht naar Port Douglas beginnen.
Eerst worden nog wat vliegtuigpassagiers afgezet bij hun hotels aan de noordelijke stranden van Cairns. Dat gaat niet altijd vlekkeloos. De chauffeur rijdt meer dan eens z’n bestemming voorbij, moet keren, ramt houten paaltes. Dan echter volgt het mooiste gedeelte van deze tocht. Thomas Cook Highway. Deze straat en kustlijn, op de grens van het regenwoud, het strand en het koraalrif, staan op de Werelderfgoedlijst van Unesco. Het uitzicht onderstreept waarom.

Het is al half twee geweest als we Port Douglas binnenrijden. Weer worden enkele passagiers afgezet bij hun hotel. Wederom wordt meer dan eens een bestemming voorbijgereden, en worden halsbrekende toeren uitgehaald om te keren.
Stiekem denk ik daardoor nu te weten waarom het in Australië niet gebruikelijk is fooien te geven…
Tegen tweeën sta ik eindelijk in Port Douglas. Net op tijd om te zien hoe de zondagse markt wordt opgebroken.
De chauffeur raadt me voor ik wegloop nog wel aan een uurtje voor de geplande terugrit nog te bellen of m’n reservering voor die bus dan nog staat. Na de gebeurtenissen van vanmorgen lijkt me dat geen overbodige luxe. Het is nu twee uur ‘s middags, en ik ben als sinds kwart over negen onderweg.

Port Douglas zelf ziet eruit als een foto in een reisfolder. Ruisende golven, palmbomen, keurige huisjes, helder water. Vooral de uitzichten rondom ANZAC Park en Four Mile Beach zien eruit als een Bounty-reclame. Mooi, maar als je er eenmaal bent blijkt het er oersaai. Gelukkig heb ik wat te doen, hier.
Er is een signeersessie van Kate Russo’s boek Total Addiction. Een boek dat gaat over mensen die haast dwangmatig alle uithoeken van de planteet bezoeken om er zonsverduisteringen te bekijken. Leuk boek. Extra leuk door de handgeschreven boodschap en de knuffel van de schrijfster.
In de avond ontmoet ik nog een online-kennis. Hij woont tegenwoordig op Tasmanië. Vanwege de natuur en ook wel de mentaliteit. De zuiderlingen zijn een stuk vriendelijker en hebben niet zo’n kort lontje als de Queenslanders.
In de vertre verdwijnt de zon achter de wolken. Geen mooie zonsondergang boven het water vanavond, maar de veranderende kleuren in de lucht en op de grond, en de tientallen vleermuizen die ineens overal om je heen fladderen maakt veel goed. Mooi gezicht.

Het is ongeveer een uur voordat m’n busje terug gaat rijden, dus voor de zekerheid bel ik Sun Palm. En inderdaad is mijn reservering spoorloos verdwenen.
Alles wat ze kunnen doen is nógmaals een nieuwe boeking aan te maken. Ik krijg wel mondeling de garantie dat ik maar één keer hoef te betalen. Daar hou ik ze aan…
Rond kwart over acht verschijnt het busje. Er staan maar twee namen op de passagierslijst, dus lekker rustig.
De tweede passagier komt niet opdagen. De chauffeur belt het hoofdkantoor daarover, en als zij proberen die betreffende persoon te pakken te krijgen is het mijn telefoon die gaat.
Kennelijk stond ik toch op de lijst, maar dan onder een zelfverzonnen naam?
Er zijn geen andere passagiers. Er hoeft zelfs niemand van of naar het vliegveld, dus deze rit verloopt vele malen vlotter dan de heenrit.
Het is nog geen tien uur als ik weer in Cairns sta. Het is dus nog steeds happy hour in de kroeg, en Dirk Jan verveelt zich kennelijk, want hij heeft al een SMS gestuurd om te vragen of ik nog langskom.
Nu begin ik wel te merken dat ik nog geen avondeten heb gehad. Gelukkig is daar, aan de Boulevard, Rattle ‘n Hum. Niet alleen een kroeg, maar ook ‘n pizzeria. Schreeuwend duur, maar naar het schijnt wel lekker.
Als ik naar de bar loop om mijn pizza te bestellen zie ik plotseling Phil zitten; de Engelsman die in het vliegtuig hierheen op de stoel naast me zat.
Hij gaat mee naar buiten. Eventjes met z’n drieën de indrukken van de afgelopen dag verwerken.

Share

Leave a Reply